Over Enschede

Wanneer men het heeft over de geschiedenis van Enschede, dan heeft men het over de textielindustrie. Deze nijverheid kwam in de 19e eeuw tot grote bloei en was bepalend voor de stedenbouwkundige ontwikkeling van de stad. Ook vandaag de dag zijn overal in en rond Enschede de sporen van dit erfgoed nog herkenbaar. De brandgevoelige spinnerijen zorgden meerdere malen voor grote stadsbranden, waardoor het oudste gebouw van de stad, het Elderinkshuis, ‘slechts’ uit 1783 stamt. Dit terwijl de geschiedenis van Enschede terug gaat tot in het begin van de 12e eeuw.

Nederzetting in vroege middeleeuwen 

Er is weinig bekend over het ontstaan van Enschede, maar zeker is dat er in de vroege middeleeuwen al een nederzetting was, gesitueerd in het midden van de marken Usselo, Esmarke, Lonneker, Driene en Twekkelo. Deze nederzetting kende een parochiekerk, een markt en een versterkte adellijke woning. Uit het omliggende gebied liepen er al wegen naar het dorp, die het begin vormden van het stratenpatroon zoals dat nu bestaat. Enschede werd voor het eerst genoemd in 1119 en in 1284 was er sprake van een ‘hof van de heren van Enschede’. 

Stadsrechten

In 1325 ontving Enschede haar stadsrechten, waarna de stad werd versterkt met twee grachten rond de stad. In 1597 werd Enschede definitief Staats en werd de buitengracht gedempt. In deze tijd bestond de bebouwing voornamelijk uit huizen en stadsboerderijen van hout, die ongerooid en omringd door modder langs de straten stonden. In de 18e eeuw werden de huizen van vakwerk vervangen door baksteen en zandsteen en nam de bebouwingsdichtheid toe. Ook werd het laatste restant van de gracht gedempt. 

Stadsbranden

Enschede werd in haar geschiedenis meerdere malen getroffen door grote stadsbranden. In 1125 brandde het toenmalige dorp geheel af, in 1517 brandde de stad opnieuw af en 1750 werd de helft van de stad in de as gelegd. Bij de herbouw van deze laatste brand ontwikkelde zich de eerste fabrieksnijverheid en werden rondom de stad langs de bleken diverse fabrieken gebouwd. In 1809 waren de drie grootste fabrikeurs J.B. Lasonder, H.J. van Heek en de erven van H. van Lochem.

Textielfabrieken

In de 18e eeuw werd de handel in textiel steeds belangrijker. In 1831 stimuleerde de Nederlandsche Handelmaatschappij de fabricage van katoen voor de export naar Indie. Twente promoveerde tot het textielcentrum van Nederland en nadat in 1850 de eerste stoommachine zijn intrede deed, veranderende de kleinschalige bedrijvigheid naar een moderne industrie. In 1832 stichtte Ch. De Maere een weverij met snelspoelen, in 1834 gevolgd door de eerste stoomkatoenspinnerij ’n Grooten Stoom. Het aantal fabrieken nam snel toe, in 1861 telde de stad zes stoomweverijen en acht stoomspinnerijen. In 1866 werd de spoorlijn Enschede-Zutphen aangelegd en tussen 1885 en 1903 de spoorlijnen naar Winterswijk, Oldenzaal en Ahaus. Langs de spoorlijnen vestigden zich verschillende fabrieken: Van Heek & Co (1864), Nico ter Kuile & Zn. (1867), Blijdenstein & Co. (1875), Gebr. Van Heek-Schuttersveld (1859), Tubantia (1921), Oosterveld (1911), Rigtersbleek (1879), Bamshoeve (1896), Menko (1906), Rozendaal (1907), Roombleek (1912) en Jannink (1900). Ook was er enige metaalindustrie: IJzergieterij Sepp & Co. (1874) en Tattersall & Holdsworth (1876). Bij de fabrieken werden arbeiderswijken gebouwd, waaronder De Krim, Sebastopol, Hoog en Droog en ’t Overschot. De oude stadsboerderijen in het centrum maakten plaats voor herenhuizen voor de fabrikanten. De bebouwing breidde zich uit en de uitvalswegen naar het buitengebied werden bebouwd. In 1872 werd in opdracht van H.J. Van Heek het Volkspark aangelegd.

Door de houten constructies en grote hoeveelheden opgeslagen katoen waren de katoenfabrieken erg vatbaar voor brand. In 1862 werd Enschede opnieuw getroffen door een brand die in zes uur tijd de hele binnenstad in de as legde. Ruim zeshonderd woningen branden af en het overgrote deel van de inwoners werd dakloos. G. Doorwaard Niermans was de stadsarchitect van de wederopbouw, waarbij het stratenpatroon van de oude stad werd aangehouden. Op de hedendaagse stadsplattegrond is nog altijd de cirkelvormige omwalling herkenbaar. De fabrieken werden buiten de oude stadskern gebouwd.

Stadsuitbreiding door groei aantal bewoners

De industrialisatie leidde tot een groeiende vraag naar arbeidskrachten. In een halve eeuw vertienvoudigde het inwoneraantal van Enschede. Deze groei werd niet stedenbouwkundig gestuurd, noch esthetisch. In hoog tempo werd de stad bebouwd met goedkope arbeiderswoningen in een spinnenwebachtige stadsstructuur. In 1901 dwong de nationale woningwet het stadsbestuur tot het opstellen van een uitbreidingsplan, dat in 1907 gereed kwam. Het belangrijkste onderdeel van dit plan was de aanleg van een singel rond de stad. Ook werd in dit plan de aanleg van het villapark de Stadsmaten opgenomen, tussen het Volkspark en de binnenstad. Tussen de stad en de singel werden nieuwe wijken gebouwd waaronder het tuindorp Pathmos (1914-1927). Door de Tweede Wereldoorlog lag opnieuw een deel van de stad in puin. In 1949 werd een nieuw uitbreidingsplan opgesteld. In 1961 werden het H.J. van Heekplein en de Boulevard 1945 aangelegd, als nieuw economisch centrum van de stad. Ook kwamen er verschillende nieuwe wijken tot stand, zoals Veldkamp, Hogeland (1948), Stadsveld (1951), Twekkelerveld, Boswinkel, ’t Ribbelt (1952) en Mekkelholt (1958-61). In 1961 werd de campus van de TH Twente, nu Universiteit Twente, aangelegd naar een stedenbouwkundig plan van Willem van Tijen en Samuel van Embden.

Sloop van fabrieken

Eind jaren ’50 stagneerde de groei van de textielindustrie. Door de groeiende concurrentie in het buitenland kwam er in 1967 een definitief einde aan de industrie met de sluiting van Van Heek & Co. De fabrieken werden beschouwd als littekens in de stad en al snel werden de meeste fabrieken gesloopt, waarbij veel van de oudste en fraaiste gebouwen verloren zijn gegaan. Deze ingrijpende binnenstadsanering liet veel braakliggende terreinen achter. De nieuwe opvullingen van de fabrieksterreinen zorgden voor een onsamenhangende binnenstadstructuur. De krans van wijken is vanaf de jaren ’60 verder uitgebreid met onder meer Bruggenmors, Wesselerbrink, Stroinkslanden, Helmerhoek, Stokhorst, Bruggert en Eschmarke. Het faillissement van de textielindustrie leidde uiteindelijk ook tot het faillissement van de stad Enschede. Pas in de jaren ’90 was een grootschalige herstructurering van de stad mogelijk en werden onder meer de plannen voor de herinrichting van het H.J. van Heekplein gemaakt.

Vuurwerkramp

In 2000 werd Enschede opnieuw getroffen door een grote ramp, toen op 13 mei een vuurwerkopslagloods in de wijk Roombeek ontplofte. De hele woonwijk werd hierbij in de as gelegd. Vijfhonderd woningen werden totaal verwoest en vijftienhonderd panden liepen grote schade op. Met man en macht werd gewerkt aan de wederopbouw en in 2008 werd Nieuw Roombeek officieel opgeleverd, naar een stedenbouwkundig ontwerp van Pi de Bruijn.

Nieuwe woonprojecten

Nu zijn er enkele nieuwe woonprojecten in ontwikkeling in het buitengebied, te weten in het Vaneker en op het landgoed Groot Brunink. ‘t Vaneker’ is een plan voor het realiseren van een luxueus woonmilieu in het Twentse landschap, waarbij riante huizen worden gebouwd rond verschillende erven. Op het Brunink wordt het zogenaamde ‘landschapswonen’ ontwikkeld, een woonwijk met een sterk landelijk karakter.